Samenvattingen van de lezingen op de Zeezoogdierdagen 2018

Op zaterdag 10 februari was er een lezingendag met lezingen rond drie centrale thema’s: zeezoogdieren in het Arctisch gebied, populatiegenetisch onderzoek aan walvissen en onderzoek aan zeehonden. Drie lezingen waren in het Nederlands en de rest in het Engels.

Zeezoogdieren in Arctisch gebied

Zeezoogdieren en genetica

Zeehonden

Sessie 1: 10:30-12:30

De ochtendsessie werd voorgezeten door Piet Bergers, directeur van de Zoogdiervereniging, waar de werkgroep Zeezoogdieren een onderdeel van is. Als eerste vertelt Sean Desjardins, postdoc van het Arctisch Centrum van de Rijksuniversiteit Groningen over zijn ethno-archeologisch onderzoek over de walrusjacht bij Inuit in Arctisch Canada. Jagen is een onderdeel van de Inuit cultuur en dit gebeurt in centraal Nunavut op een duurzame wijze. Sean laat zien hoe er tegenwoordig gejaagd wordt op de walrus en ter plekke geslacht. Vervolgens worden de hompen vlees en blubber samengebonden in walrushuid en daarna begraven onder kiezelstenen. Vijf maanden later, wanneer het winter is worden deze half-gefermenteerde stukken vlees, igunaq geheten, opgegraven en opgegeten. Gezien de torenhoge prijzen voor levensmiddelen in de supermarkten in Nunavut is voedsel afkomstig van de jacht een welkome aanvulling op hun dieet.

Per Palsbøll, hoogleraar Mariene Biologie aan RU Groningen, bespreekt in zijn lezing “Ghosts of the whaling past” welke gevolgen de intensieve walvisvaart rond 1900 heeft op de Noord-Atlantische populatie bultruggen. Met behulp van biopten van levende walvissen wordt er DNA-onderzoek gedaan aan populaties walvissen. Bij bultruggen kan men nu een westelijk en een oostelijk genetisch profiel onderscheiden. In West-Indië (Caraïben) blijken vrijwel alle individuen van het westelijke type, maar in Kaapverdië is er een mix van het westelijke en oostelijke type. In Kaapverdië herstelde de populatie na de walvisvaart amper en door de grote immigratiegolf (27% per generatie) lijkt het oostelijke type langzaam uit te sterven. Overigens bleek Johanna, de bultrug die in 2012 strandde bij de Razende bol, een walvis te zijn van het steeds zeldzamere oostelijke genetische type.

De Spaanse PhD-studenten Maragarita Mendez-Arostegui en Beatriz Rapado-Tamarit van het Zeehondencentrum Pieterburen vertellen over hun urenlange observatiedagen in het Eems-Dollard gebied. Individuele zeehonden konden over de hele periode worden gevolgd doordat ze herkenbaar waren door hun unieke vlekkenpatroon. In 2015 zagen ze dat pups van gewone zeehonden lange tijd, tot wel 8 uur alleen waren tot hun moeder weer terugkwam. In het volgende seizoen keken ze of moeders alleen hun eigen pups zoogden. Dat bleek alleen in de eerste week het geval en daarna werden ook andere pups toegestaan om melk te drinken, zonder nadelig effect voor hun eigen pup.

Gert Polet, leider van Arctisch programma van het Wereldnatuurfonds, sluit de ochtendsessie met een verhaal over uiterst succesvolle natuurbescherming in Arctisch Canada. De Lancaster Sound is uiterst belangrijk voor zeezoogdieren: 75% van alle Narwals wereldwijd leeft hier, 6500 Groenlandse walvissen zwemmen hier rond en het is het op één na dichtstbevolkte gebied wat ijsberen betreft. Door onderzoek, door het publiek te informeren en door diplomatie probeert WWF in samenwerking met de locale Inuit, die in grote mate afhankelijk zijn van de natuurlijke rijkdommen van Lancaster Sound, een groot gebied beschermd te krijgen. Dit heeft resultaat: Shell geeft vrijwillig haar olielicenties op en de Canadese overheid stelt in 2017 voor 130.000 km2 tot beschermd zeegebied te verklaren, wat 3x zo groot is als hun oorspronkelijk voorstel in 2010.

Sessie 2: 13:30-15:00

De sessie na de lunch werd voorgezeten door Sophie Brasseur van Wageningen Marine Research. De promovendus Leonard Dewaele uit Gent praat ons bij over de paleobiogeografie van ‘echte’ zeehonden, de Phocidae.Traditioneel worden de Enaliarctinae uit het Laat Oligoceen, 25-23 miljoen jaar geleden, die nog met hun achterpoten zwommen, als voorlopers van de echte zeehondachtigen beschouwd. Vervolgens zouden de Phocidae in Midden Mioceen, zo’n 16 miljoen jaar geleden, zijn gescheiden in twee subfamilies: Phocinae en de Monachinae. Maar de vondst van een 20-27 miljoen jaar oude schedel van een monniksrob Monotherium gaudini uit de Abruzzen Italië, maakt duidelijk dat de evolutie van de echte zeehonden ook anders kan zijn verlopen. Leonard legt vervolgens uit hoe de verspreiding en het ontstaan en verdwijnen van zeehondsoorten uit het Mioceen, 23 tot 5 miljoen jaar geleden, beïnvloed werd door de zeespiegelschommelingen en verschuiving van aardplaten.

Andrea Cabrera vertelde hoe baleinwalvissen en hun prooi reageerden op klimaatveranderingen in het verre verleden. Zij zal april 2018 zal promoveren bij de vakgroep Marine Evolution and Conservation van de Rijksuniversiteit Groningen. In samenwerking met veel internationale onderzoekers analyseerde Andrea meer dan 7000 DNAmonsters van 8 baleinwalvissen en 7 prooisoorten in de Atlantische en Zuidelijke oceaan. Met DNA kunnen populatietrends van dieren tot in de ijstijden worden herleid. Ze onderzocht of er verschillen waren in walvissen met een noordelijke verspreiding en soorten met een zuidelijke verspreiding. Op het zuidelijk halfrond was het klimaat tijdens de ijstijden stabiel en veranderde de ijskap nauwelijks, maar daarna stegen de temperaturen snel. Daardoor namen na de ijstijden vijf van 6 walvissoorten, evenals hun prooi, snel toe. Op het noordelijk halfrond blijken maar 3 van de 6 soorten toe te nemen, en bovendien ook in veel mindere mate dan in het zuiden. Zij verklaart dit doordat hier andere zeestromingen zijn en het klimaat bij de Noordpool veel sterker fluctueert. Een goed voorbeeld is het leegstromen van Lake Agassiz, een gigantisch glaciaal meer in Arctisch Canada, 8200 jaar geleden en voor de snelste temperatuurdaling in het Holoceen zorgde. In het DNA van een aantal noordelijke soorten bleek dit signaal te zien te zijn. [URL: naar haar proefschrift op de site van RUG]

Andrea Ravignani werkt als Marie Curie fellow bij Zeehondencentrum Pieterburen. In een levendige presentatie laat hij zien hoe vogels en zoogdieren geluiden kunnen imiteren. Minder bekend is dat zeehonden dit ook kunnen. Een bekend voorbeeld is “Hoover the talking seal” , een gewone zeehond in het aquarium van Boston, die de woorden van zijn verzorger in een zwaar Maine-accent kon imiteren. Andrea neemt in Pieterburen het geluid op van de zeehondenpups en kijkt hoe deze veranderen in de loop van de tijd en of deze geluiden beïnvloed worden door interactie met andere pups. Andrea maakt ook duidelijk dat het stemapparaat in zeehonden eigenlijk hetzelfde is als bij mensen en dat zeehonden ook op dezelfde manier geluiden leren maken als wij.

Als laatste komt de bioloog Herman Sips aan het woord, die een omvangrijk project omtrent de Groenlandse walvis aan het opzetten is. Vanwege de voorkeur voor het pakijs, noemt hij deze walvis liever de IJswalvis. Als oprichter van de Ice Whale Foundation probeert hij met het project “Het jaar van de IJswalvis” het publiek te informeren over deze relatief onbekende soort, waarvan de Spitsbergenpopulatie vooral door Nederlandse walvisvaarders flink gedecimeerd is. Een ander onderdeel van dit project is het IJswalvissen bestuderen in de wintermaanden waar deze zouden samenscholen. Met een zeeijsbestendig schip dat Herman samen met TNO en TU Delft aan het ontwikkelen is wil hij in de winter van 2020/21 in het zeeijs tussen Groenland en Spitsbergen de walvissen volgen en hun geluiden opnemen.

Sessie 3: 15:30-17:00

Na de theepauze is Jan Willem Broekema de voorzitter van de laatste sessie. Jan Willem heeft in 1984 de werkgroep opgericht en is nog steeds de voorzitter hiervan. Onderzoeker Geert Aarts van Wageningen Marine Research onderzoekt de relatie tussen de beschikbaarheid aan vis en de aantallen gewone zeehonden in het Nederlandse deel van de Waddenzee. Aan de hand van de otholieten (gehoorbeentjes) uit het poep van zeehonden kan worden bepaald welke vissoorten het meest gegeten worden. Bot, zandspiering en schol maakt zo’n 70% uit van hun dieet. Met deze otholieten kunnen ook de lengteklassen door de zeehond gegeten vissen geschat worden en hieruit wordt berekend dat elke zeehond zo’n 4 kilogram aan vis nodig heeft per dag. Met gegevens van jaarlijkse vis-surveys kan een schatting worden gemaakt hoeveel vis er in de Noordzee en de Waddenzee aanwezig is.Geschat wordt dat de zeehonden tot zo’n 50% van de bodemvissen in de Waddenzee zouden kunnen eten, wat betekent dat de gewone zeehond een belangrijke predator in het ecosysteem is. Maar het model bevat nog veel onzekerheden: hoeveel vis wordt er gegeten in de verder weg op de Noordzee, hoe fluctueert de biomassa vis per jaar en eten zeehonden verschillende soorten vis door het jaar heen? Daarnaast moet niet vergeten worden dat ook grijze zeehonden en aalscholvers belangrijke viseters zijn en ook de mens door middel van de visserij een belangrijk effect hebben op de visstand.

Dierenarts Ana Rubio-Garcia van Zeehondencentrum Pieterburen onderzoekt of er resistentie tegen diverse soorten antibiotica optreedt bij bacterien van zeehonden die uit het wild komen. Veelvuldig gebruik van antibiotica bij mensen en dieren leidt er toe dat bacteriën resistent worden. Hoewel antibiotica-resistentie niet zo heel vaak voorkwam, namelijk 1x in 50 grijze en 4x in 100 gewone zeehondpups, is dit toch opmerkelijk aangezien men dit niet verwacht aan te treffen in wilde dieren. De resistente bacteriën die gevonden werden, zijn soorten die ook bij mensen voorkomen. In deze studie waren alle pups jonger dan 3 maanden en onderzocht zou moeten worden of er bij oudere zeehonden meer resistentie voorkomt.

De laatste spreker van de dag is de Duitse onderzoeker Sina Baleka van de universiteit van Potsdam. Zij probeert het genoom van de Steller’s zeekoe te reconstrueren. Deze soort werd 1741 ontdekt bij de Commandeureilanden, 250 km ten oosten van Kamschatka en was al in 1768 volledig uitgeroeid. Van een schedel uit het museum van Braunschweig is een DNA-monster genomen en met behulp van ancient DNA-technieken probeert Sina het genoom te reconstrueren. Problemen met dergelijk oud DNA is degradatie van het materiaal waardoor er steeds kortere stukken van bruikbaar DNA overblijven. Met het genoom van manatees als referentie heeft zij het hele genoom van de Steller’s zeekoe bepaald, maar graag zou zij het nog willen vergelijken met het genoom van dugongs, omdat die nog meer verwant zijn. Daarna kan de evolutie van genen onderzocht worden zoals die voor lichaamsgrootte, osmoregulatie (belangrijk voor overleven in zoet en zout water), hemoglobine (voor duikgedrag), reuk, en ontwikkeling van de tanden.

              (c) Uko Gorter

Literatuur

Aarts, G. et al.: Harbour seals are regaining top-down control in a coastal ecosystem PREPRINT

Cabrera A.A. et al.: Late Quaternary demographic responses of baleen whales associated to climate change and prey dynamics

Cabrera, A. A. (2018). Evolutionary ecology of marine mammals [Groningen]: University of Groningen

Dewaele L, Peredo CM, Meyvisch P, Louwye S. 2018 Diversity of late Neogene Monachinae (Carnivora, Phocidae) from the North Atlantic, with the description of two new species. R. Soc. open sci. 5: 172437

Palsbøll, P. J., Cabrera, A. A. & Bérubé, M.: Genetics and genomics in marine mammals

Herman Sips: The Year of the Ice Whale